Aanvullende vragen aan het college nav verkoop van de ambachtsschool

VVD Gouda stelt aanvullende vragen naar aanleiding van de verkoop van de ambachtsschool:

Geacht college,

Op 14 april 2016 heeft de VVD fractie in het kader van art. 38 van het reglement van orde vragen gesteld omtrent de verkoop van de voormalige Ambachtsschool aan de Graaf Florisweg 62-64 te Gouda. Op 19 april 2016 heeft u deze vragen beantwoord, waarvoor onze dank.

Tijdens de besluitvormende raadsvergadering van 25 mei 2016 heeft de fractievoorzitter van de VVD in de gemeenteraad van Gouda aangekondigd, dat de beantwoording van de vragen heeft geleid tot een aantal extra vragen waar de fractie later nog op terug zal komen. In verband met de bestuurscrisis die in de zomer van 2016 heeft plaatsgevonden, heeft de fractie besloten deze extra vragen in te dienen op een nader te bepalen moment, waarop de politieke rust is weer gekeerd zodat de beantwoording op zorgvuldige wijze kan plaatsvinden. De fractie acht dit moment thans aanwezig.

De beantwoording van de vragen is voor de VVD-fractie aanleiding tot het stellen van de navolgende aanvullende artikel -38 vragen, mede gelet op de informatie die is verkregen uit de vertrouwelijk ter inzage gelegde stukken en hetgeen staat vermeld op pagina 3 van de 1e Begrotingswijziging 2016-2019, zoals deze is door de gemeenteraad is vastgesteld op 6 juli 2016.

1. In het antwoord op vraag 1. van de door de VVD op 14 april 2016 gestelde vragen geeft u aan, dat in het traject om te komen tot een omgevingsvergunning nauwgezet is gekeken naar de benodigde sanering van het asbest in het gebouw. Heeft de koper voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van asbest alvorens een bod uit te brengen? Heeft de gemeente vooraf onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van asbest alvorens de koopovereenkomst te sluiten op 24 januari 2014?

2. In het antwoord op vraag 2. geeft u aan, dat de raad van commissarissen van Huys te Voorn Vastgoed B.V. niet kon instemmen met de koopovereenkomst. Wanneer en op welke wijze heeft de RvC dat aan het college kenbaar gemaakt? Vormde de instemming van de RvC een ontbindende voorwaarde en zo ja, is met het ontbreken van de instemming de op 24 januari 2014 gesloten overeenkomst daarmee formeel ontbonden?

3. Wat wordt in dat verband bedoeld in de beantwoording op vraag 2, dat de koopovereenkomst op 10 maart 2014 is "geactualiseerd"? Betekent dit, dat met het ontbreken van de instemming van de Raad van Commissarissen er voldaan is aan een ontbindende voorwaarde en daardoor de oorspronkelijke koopovereenkomst in juridische zin is ontbonden? Is er daarna een nieuwe koopovereenkomst gesloten? Zo ja, zijn ook daarin ontbindende voorwaarden opgenomen? 
 Welke 'termijnen' zijn in dat geval verlengd en tot wanneer, ingeval er geen sprake meer was van de oorspronkelijke koopovereenkomst?

4. In het antwoord op vraag 3 geeft u aan, dat er geen 'nieuwe onderhandelingen' hebben plaatsgevonden bij de "actualisatie" van de koopovereenkomst. Uitsluitend de termijnen zijn met twee maanden verlengd. Waarom heeft het dan meer dan twee jaar geduurd om te komen tot een 'geactualiseerde 'koopovereenkomst? Betekent dit dat in die 'geactualiseerde' koopovereenkomst de koopprijs gelijk is gebleven aan die in de oorspronkelijke koopovereenkomst?

5. In het antwoord op de vragen 3 en 4 geeft u aan, dat de koper voornemens was om een beroep te doen op de ontbindende voorwaarden uit de koopovereenkomst. Waren er op dat moment (medio 2015) nog termijnen verbonden aan de ontbindende voorwaarden? 
Zo nee, betekent dit, dat er na de eerder genoemde "actualisatie" nog verdere actualisaties van de koopovereenkomst hebben plaatsgevonden ? Zo ja, waarom is het college in dat geval akkoord gegaan met het kennelijk "verlengen" van de ontbindende voorwaarden tot in ieder geval medio 2015?

6. Is het college van oordeel dat het college volledig heeft voldaan aan de verplichting om de raad vooraf te informeren wanneer wordt besloten tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen , zoals het sluiten van een overeenkomst tot koop en verkoop, zoals voorgeschreven in artikel 160 lid 1 sub e jo. artikel 169 lid 4 van de Gemeentewet, zowel ten aanzien van de oorspronkelijke koopovereenkomst als ten aanzien van de nadien gesloten "geactualiseerde" koopovereenkomst(en)?

7. Tevens geeft u in het antwoord op de vragen 3 en 4 aan, dat een deel van de kosten van de asbestsanering is 'verrekend' met de koopsom. Betekent dit, dat de koopsom - vóór verrekening – steeds gelijk is gebleven aan de in de oorspronkelijke koopovereenkomst overeengekomen koopsom? Zo nee, is er nadien een verplichting voor de gemeente in de koopovereenkomst opgenomen om alsnog (een deel van ) de kosten van de asbestsanering voor haar rekening te nemen? Zo ja, betekent dit, dat de in de openbare registers opgenomen akte van levering vermelde koopprijs ad € 150.000,00 gelijk is aan de oorspronkelijk overeengekomen koopprijs?

8. Was de gemeente bij het sluiten van de oorspronkelijke koopovereenkomst juridisch verplicht (een deel van) de asbestsaneringskosten voor haar rekening te nemen?
Zo ja, waarom heeft het college in dat geval niet zoals gebruikelijk een vrijwaringsclausule opgenomen in de oorspronkelijke koopovereenkomst waarin de koper het risico van de kosten van sanering van eventueel aanwezig asbest op zich neemt. 
Zo nee, waarom heeft de gemeente nadien alsnog besloten deze kosten op zich te nemen door af te spreken deze te verrekenen met de koopprijs?

9. Was het college bekend met het onvoorwaardelijk substantieel hogere openingsbod van € [bedrag bekend bij VVD-fractie] k.k. dat door een derde, [naam bekend bij VVD-fractie] op 25 november 2013 zonder enig voornbehoud is uitgebracht op de Ambachtsschool, aldus inhoudende, dat de kosten verbonden aan de sanering van eventueel aangetroffen asbest geheel voor rekening van deze koper zouden komen? Was het college bekend dat [naam bekend bij VVD-fractie] zich daarbij volledig conformeerde aan de bestemming en aan de status van Rijksmonument en eveneens bereid was in het pand appartementen te realiseren, daarbij alle risico's voor diens rekening te nemen, ook die van de kosten van eventuele asbestverwijdering?

10. Heeft het college overwogen ten tijde van het beroep van de Raad van Commissarissen van de koper op de ontbindende voorwaarde, dan wel ten tijde van de dreiging daarmee, c.q. nadat de oorspronkelijke koopovereenkomst was ontbonden, om met [naam bekend bij VVD-fractie] verder in zee te gaan? Zo nee, waarom niet. Zo ja, waarom heeft dat niet tot een verkoop aan [naam bekend bij VVD-fractie] geleid.

11. Is het juist, dat door de gemeente aan [naam bekend bij VVD-fractie] is toegezegd met [naam bekend bij VVD-fractie] nader in gesprek te zullen gaan indien de koop met de 'andere partij' niet door zou gaan? Heeft die situatie zich voorgedaan en zo ja is de toezegging in dat geval nagekomen?

12. Op blz. 3 van de 1e Begrotingswijziging 2016-2019, zoals deze is vastgesteld door de gemeente raadsvergadering op 6 juli 2016, geeft u aan, dat het college medio 2015 "heeft moeten besluiten om de verkoopprijs te verlagen. Is er dan nog sprake van een 'verrekening' als eerder aangegeven? Waarom was het nodig om de verkoopprijs formeel te verlagen tot het bedrag zoals opgenomen in de openbare registers, wanneer elders wordt gesproken over verrekening van (een deel van) de kosten met de verkoopprijs?

13. Tevens geeft u aan, dat het object in het eerste kwartaal van 2016 is verkocht. 
Onderschrijft u de stelling, dat er juridisch sprake is van een verkoop met daaruit voortvloeiende verplichtingen voor beide partijen, zodra een koopovereenkomst is gesloten en ondertekend? 
Hoe verhoudt zich dat tot de melding in het memo aan de raad van 23 januari 2014, waarin wordt vermeld: "Op 23 januari 2014 is de koopovereenkomst tussen Huys te Voorn Vastgoed B.V. en de gemeente Gouda getekend. De verkoopprijs hebben wij vertrouwelijk ter inzage gelegd bij de griffie. De verkoopprijs is vertrouwelijk omdat er nog ontbindende voorwaarden kunnen worden ingeroepen, waardoor nieuwe onderhandelingen nodig zijn." 
 Kan daaruit worden afgeleid, dat de oorspronkelijke koopovereenkomst d.d. 23 januari 2014 door het inroepen van een ontbindende voorwaarde is ontbonden en er nadien nieuwe koopovereenkomst is gesloten?

14. Indien uit uw beantwoording geconcludeerd zou mogen worden, dat er na een ontbinding door de Raad van Commissarissen een nieuwe koopovereenkomst is gesloten, heeft het college in dat geval de raad daarover tijdig en voldoende geïnformeerd?

15. Kan het college aangeven of de uiteindelijk definitief gesloten overeenkomst ten opzichte van de op 24 januari 2014 getekende overeenkomst voor de gemeente financieel gezien tot een voor de gemeente aanmerkelijk nadeliger resultaat heeft geleid? Kan het college in dat geval aangeven hoe groot dat financieel nadeel aan gemeenschapsgeld voor de gemeente Gouda bedraagt?

De VVD-fractie ziet de beantwoording van bovenvermelde vragen graag binnen de daarvoor geldende termijn tegemoet.

Met vriendelijke groet,

Fractie VVD Gouda